De Erfenis: Peter Petersen panden via Kraypoel naar Charles Geerts en Bertus Cirkel

Tsja, hoe zit het nu eigenlijk met de Peter Petersen pandjes? Chris Kraypoel probeert eind mei 2011 via een groot artikel in de Volkskrant weer enigszins wat aanzien te verkrijgen.

Hij is zielig want geen bank wil hem meer financieren na de verdachtmakingen rondom betrokkenheid bij de dood van zijn oude zakenpartner Petersen. Ondertussen is hij daar niet meer van verdacht, wat overblijft is een zaak van zogenaamd gewoonte-witwassen.

Er is ook recentelijk veel gebeurd met de oude Petersen-panden. De pandjes worden maar heen en weer geschoven, onlangs nog zijn 3 panden via Kraypoel en een tussenpersoon bij Dikke Charles Geerts beland. Een ander pand is nu in bezit van wallenboer Bertus Cirkel.

Wat gebeurt er dan allemaal?

Snel na de dood van Petersen, zie ook onze eerdere blog, kwam de boekhouder Chris Kraypoel in beeld. Even later werd hij opgepakt op verdenking van betrokkenheid bij de dood van Petersen en van grootschalig witwassen. Voorjaar 2011 heeft de rechtbank die verdenking laten vallen. De zaak is daarmee nog niet definitief gesloten voor hem, er zal nu vooral op het witwastraject verder gerechercheerd worden.
Laten we er eens wat zaakjes uitlichten waar de financieel-economische recherche nu ook vast mee bezig is.

Keizersgracht 766

Dit mooie monumentale kantoorpand was voorheen in gebruik bij Petersen. Het eigendom
had hij op één van zijn stichtingen gezet: Stichting ter Behoud van Nederlandsche Monumenten. In 2009 verhuisde deze stichting naar het zakenadres van Kraypoel in Baarn toen Kraypoel de bestuurder van deze stichting werd. Begin 2011 verandert de inschrijving bij de KvK. De stichting staat dan weer geregistreerd op de Keizersgracht terwijl er zich ook een nieuwe eigenaar aandient: de stichting wordt overgenomen door Watermolen Projecten B.V; een vehikel van de ook bij ons bekende horeca- en vastgoedboer Hans Kortlevers warmee deze eigenaar van het pand wordt. Later zullen we Kortlevers nog een keer tegenkomen rond de Petersen panden.

Amsteldijk 54-55, De Clercqstraat 34, Emmalaan 21, Pantage Muidergracht 85

Allemaal voormalig bezit van Petersen. Zo was zijn Stichting Trustee “Molenstraat” in 2009 bijvoorbeeld eigenaar van de Amsteldijk. In 2010 werd het pand overgedragen aan St. Donino II van Chris Kraypoel die het een paar maanden later doorspeelde aan stroman Dennis Smits met zijn Stichting Administratiekantoor Mevast Verdi.
Naast de Amsteldijk werden ook De Clercqstraat en Emmalaan in september 2010 door de
heer Smits van Mevast Verdi aangekocht (akte) van St. Donino II voor een bedrag van € 2.105.000.
Voor de gelegenheid, en om er een serieus tintje aan te geven zette hij nog even een website in elkaar: mevastverdi.nl.

De Plantage Muidergracht had Smits al eerder in handen gekregen. Deze Smits is niet lang eigenaar gebleven: op 29 april 2011 verkoopt (akte) hij als gemachtigde namens de eerder genoemde Watermolen Projecten de De Clercqstraat 34, Emmalaan 21 en de Pantage Muidergracht 85 voor € 3.200.000 aan JFO Vastgoed, het vastgoedbedrijf van ‘dikke’ Charles Geerts.

De Clercqstraat 34 heeft helemaal een mooie criminele geschiedenis. Tot februari 2003 was Finoren Holding BV eigenaar van het pand die het in dat jaar verkocht aan Petersen. Finoren? Ja, het Willem Endstra bedrijf waarin ook zijn raadsman Bram Zeegers participeerde en waarvan Willem Holleeder 20% van de aandelen bezat. Tsja, het kan verkeren.
Het pand ging van Endstra c.s naar Peter Petersen, die het later overschreef op naam van zijn Stichting Trustee “Molenstraat”. In 2010 stond het pand op naam St. Donino II (Kraypoel) die het doorverkocht aan Mevast Verdi (zie boven) die het vervolgens via Watermolen Projecten B.V. doorverkocht aan JFO Vastgoed van Charles Geerts. Ja, gaat lekker zo.

Nieuwe Kalfjeslaan in Amstelveen
Twee panden aan de groene Kalfjeslaan nabij het Amsterdamse Bos hebben een Petersen
link. Ook komen we hier Hans Kortlevers weer tegen. Het gaat om de panden op 9 en
13. Even uitleggen.
Nummer 13: al in 2006 thuisbasis van Petersen. In 2008 was zijn Stichting Trustee “Boszicht” eigenaar om in 2010 in handen te komen van St. Donino II van Kraypoel.
Opvallend dat het pand dan in 2011 opeens weer terug op naam staat van de Stichting Trustee “Boszicht”. Deze stichting was toen over genomen door Winbrolia Holding van, en daar is ie weer, de heer Smits. Even later heeft Smits het doorgeschoven naar zijn Mevast Verdi.

En dan nummer 9: in 2005 deed Twisk Beheer, een BV van Petersen, een bouwaanvraag tot het gedeeltelijk vergroten en veranderen van het spoorhuis. In 2007 was het pand in eigendom van zakelijk vastgoedpartner van Petersen, de heer Marc Vilé. Zij hadden gezamenlijk veel panden in bezit. Vilé werd later ook nog even eigenaar van het Petersen pand dat in mei 2011 executoriaal werd geveild: de Utrechtseweg 114 achter bij Weesp.
Heden ten dage is Hans Kortlevers eigenaar van het pand Nieuwe Kalfjeslaan 9.

Molenstraat 23 te Roosendaal
In 2007 is Petersen met zijn Dutch Invest BV eigenaar van het pand. Vast staat dat in 2008 het pand eigendom is van Stichting Trustee “Molenstraat”. De lokale krant BN de Stem dook in december 2010 al eens in het dossier van dit pand, citaat: “Aan het Petersen-pand in de Molenstraat 23 kleeft nog meer bloed, letterlijk. In januari 2005 had op de bovenverdieping van de lege winkel al een gruwelijk, crimineel drama plaats. Drugshandelaar Paul Epskamp (47) uit Schagen werd er dagenlang vastgehouden door onder anderen een lid van de Amsterdamse Hells Angels.”
Lees het hele artikel, pand waar bloed aan kleeft.
En dezelfde Stichting Administratiekantoor Mevast Verdi uit Nieuwegein wordt vervolgens in het voorjaar van 2011 eigenaar van het pand om het binnen enkele maanden door te verkopen aan de beruchte wallenbaas Bertus Cirkel. De cirkel is inderdaad weer rond.

Enkele Petersen panden zijn dus via Kraypoel en het hulpje Smits terecht gekomen bij ‘dikke’ Charles en Bertus ‘shout’ Cirkel. Een behoorlijk aantal voormalige Petersen panden is recentelijk een aantal keer doorverkocht. Ook stichtingen werden in het geheel verhandeld, dus inclusief bijbehorend vastgoed. Of er ook sprake is van witwassen van uit criminaliteit verkregen middelen zal hopelijk nog door het OM aan de rechtbank worden voorgelegd. Dat Kraypoel in de Volkskrant beweert geen panden meer te kunnen verhandelen vanwege het beslag dat het OM er op heeft gelegd lijkt dus niet geheel waar. En nu wachten wat het OM van de witwaszaak gaat maken.

15 Reacties op De Erfenis: Peter Petersen panden via Kraypoel naar Charles Geerts en Bertus Cirkel

  1. Op FTM.nl een mooi artikel over Kraijpoel:

    De problemen van Chris Kraijpoel

    Auteur: Dennis Mijnheer

    donderdag 14 maart 2013

    DE PROBLEMEN ROND DE YAB YUM

    Het zit de aspirant-bordeelhouder Chris Kraijpoel niet erg mee: verdachte in een witwasonderzoek, een traag Bureau Bibob en ongebruikte lakens in Yab Yum.

    ‘Slalom? Ga in één rechte lijn naar Yab Yum. Een club van stand,’ luidde eind januari de advertentietekst in De Telegraaf. Maar ondanks meerdere omwegen, brandt de groene lantaarn boven de deur van het bekendste bordeel van Nederland een paar weken later nog steeds niet. De gentlemen’s club met het opvallende logo van twee tortelduifjes is al sinds januari 2008 gesloten. Het is een tegenvaller voor de boekhouder annex vastgoedondernemer Chris Kraijpoel (44) uit Soest die sinds december 2011 voor 4 miljoen euro de eigenaar is van Yab Yum. Destijds gaf hij in de Volkskrant aan waarom hij het kocht: ‘Het ging me om het pand, niet om de exploitatie. Het was gewoon een mooie belegging.’

    Club op niveau
    Het rendement op zijn investering blijft vooralsnog uit, want het vinden van een geschikte uitbater verloopt allerminst vlekkeloos. In eerste instantie wordt er onderhandeld met Roelof en Nel Beishuizen, de voormalige eigenaren van seksboerderij De Woeste Hoeve in Matsloot. Dit Groningse koppel wil de grenzen verleggen naar Amsterdam en neemt via tussenpersoon Jan Kos contact op met eigenaar Kraijpoel. De intermediair zou een mondelinge toezegging hebben gedaan, maar de deal ketst af en de Groningers proberen nog via een juridische actie de Yab Yum binnen te komen. Tevergeefs, de rechter stelt het duo in het ongelijk en Kraijpoel kan opgelucht adem halen. ‘Ik ben er niet op uit om een vinger in de pap te houden, maar ik wil uiteraard wel dat de zaak open kan gaan en dat er fatsoenlijke en capabele uitbaters in komen. Als u de heer Beishuizen zelf heeft gesproken weet u ook dat hij door zijn verschijning en taalgebruik geen club op niveau kan leiden. Na een korte ontmoeting van nog geen kwartier had ik deze conclusie reeds getrokken.’
    De Groningers hebben inmiddels hun Amsterdamse droom waargemaakt in seksclub Ria’s. En daar lijkt een soort partnerruil te hebben plaatsgevonden, want de voormalige exploitant van seksclub Ria’s is weer bezig om de exploitatie van de Yab Yum te gaan doen .
    Roelof Beishuizen voorziet ook daar een probleem. ‘De gemeente Amsterdam gaf ons het advies om niet met de heer Kraijpoel in zee te gaan. Als je zijn verleden googlet dan kom je al snel het een en ander tegen. Dat kan een probleem worden bij Bureau Bibob, want zij kijken niet alleen naar de nieuwe huurder, maar ook naar de verhuurder.’

    Bibob
    De aanvraag voor een prostitutievergunning voor Yab Yum is ondertussen nog in behandeling. ‘We wachten op een reactie van het Landelijk Bureau Bibob,’ aldus een woordvoerder van de gemeente Amsterdam die ontkent dat er een negatief advies over Kraijpoel is gegeven aan de Beishuizens. Jaap Oosterveer, de woordvoerder van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, schetst een scenario waarin een vergunning kan worden geweigerd op basis van een dubieuze reputatie van de verhuurder. ‘Als blijkt dat er sprake is van een stromanconstructie dan kan er – ongeacht het feit dat de nieuwe huurder door de Bibob komt – een negatief advies gegeven worden vanwege de verhuurder.’

    Aparte snuiter
    Het curriculum vitae van Kraijpoel schetst het beeld van een ondernemer die gewend is om risico’s te nemen. Hij begint zijn carrière als boekhouder en geeft in de regio Soest kleine en middelgrote ondernemers advies. ‘Ik ken hem als een nette boekhouder met een keurig gezin en een hartstikke aardige vent in de omgang,’ zegt een relatie van zijn voormalige kantoor Tijhuis & Kraypoel. ‘Het was alleen soms een aparte snuiter met wie moeilijk afspraken te maken viel. Als we bijvoorbeeld een eetafspraak hadden gemaakt dan kwam hij vaak niet opdagen. Bij de tweede afspraak betaalde hij dan de rekening om het goed te maken.’
    Kraijpoel begint ook langzamerhand panden te kopen en op 29-jarige leeftijd wordt hij voor 1,2 miljoen gulden eigenaar van het pand van de fameuze Amsterdamse nachtclub Mazzo. Via de Stichting Mazzo Racing Team sponsort hij het gelijknamige raceteam waarin hij zelf ook racet op het circuit van Zandvoort.

    In elkaar meppen
    Ondertussen groeit het wagenpark op de stoep van zijn villa met twee Aston Martin DBS, een Porsche 997 Turbo, een BMW 7-serie en een Audi Q7. Zijn Herman Brood-collectie breidt hij uit tot ongeveer 250 schilderijen en hij koopt een zogeheten spitgatkotter, vergelijkbaar met de Jumbo VI-boot van wijlen prins Bernard. Volgens Kraijpoel ‘een zakelijke aankoop’, maar veel rendement levert het niet op, want de boot blijkt twee kapiteins te hebben: de pensionado Dick Mostert heeft eerder al 2,5 miljoen euro geïnvesteerd in het nog te bouwen schip. De afbouw ervan loopt echter spaak en op het moment dat hij beslag wil leggen op het schip, blijkt Kraijpoel de eigenaar te zijn. ‘Kraijpoel beweert dat hij het schip voor 6 ton heeft gekocht, terwijl het miljoenen waard is,’ zegt jachtwerfeigenaar Elfred van den Broek die het onafgebouwde schip nog steeds op zijn werf heeft liggen. Hij foetert: ‘Ik kan mijn pand nu niet verkopen of verhuren, omdat er een 28 meter lang jacht in ligt. Elke keer als ik dacht: ik ga je nu met een stuk hout in elkaar meppen, begon hij een verhaal en vervolgens loop je weg alsof je de jackpot hebt gewonnen. Als die man ooit bij Shell gaat werken dan geeft iedereen zijn olierechten gratis op.’
    De mensen die Kraijpoel toelaat in zijn netwerk dragen niet altijd bij aan zijn imago van keurige zakenman. Neem Itzhak Meiri, een oude bekende uit de Amsterdamse onderwereld. Kraijpoel hielp hem bij zijn reintegratie. ‘Aan het eind van zijn straf mocht hij met een enkelband naar buiten. Hij vroeg of hij hier mocht werken. Acht maanden was hij technisch medewerker. Hij zat met mij in een stichting, zodat hij bevoegd was om bij de bouwmarkt op rekening te kopen. Hij heeft hier gewoon lopen sjouwen, hoor. Denk je echt dat hij een muurtje had geschilderd als hij een afperser zou zijn?’ aldus Kraijpoel in 2011 in een interview met de Volkskrant. Klusjesman Meiri werd desondanks eind 2006 veroordeeld voor het afpersen van vastgoedmagnaat Erik de Vlieger.

    Notaris opgepakt
    Zijn keuze van notarissen blijkt ook niet altijd even gelukkig. Enkele weken geleden kopte De Telegraaf: ‘Bart V. zat achter Yab Yum-verkoop’ en berichtte dat de Amsterdamse notaris V. van notariskantoor Bakker Voorwinde Mens is opgepakt op verdenking van het verduisteren van 1,5 miljoen euro zwart geld uit de erfenis van “Dikke” Peter Petersen. De opgepakte notaris blijkt ook degene die de koopakte van Yab Yum afhandelde en die verder terugkomt in de notariële aktes rond de verkoop van het vastgoed van Petersen aan Kraijpoel en de doorverkoop van een aantal panden aan vastgoedondernemer Dennis Smits.
    Het kan een ongelukkige samenloop van omstandigheden zijn, net zoals ten tijde van de liquidatie van Petersen in 2009. Na afloop van een zakelijke afspraak met Kraijpoel werd “Dikke” Peter op de parkeerplaats voor Hotel Jan Tabak in Bussum omgelegd. Een jaar na dato wordt Kraijpoel opgepakt op verdenking van betrokkenheid bij de moord en witwassen. Tweehonderd rechercheurs kloppen ongevraagd op de deur op meer dan twintig locaties, waaronder Kraijpoels huis. ‘Hoofdverdachte in dit witwasonderzoek is de opgepakte Soestenaar die vermoedelijk op grote schaal criminele winsten heeft witgewassen,’ aldus het persbericht van het Openbaar Ministerie destijds.
    Na drie dagen wordt Kraijpoel vrijgelaten en even later vrijgesproken van enige betrokkenheid bij de moord op Petersen. Hij blijft echter wel verdachte in de witwaszaak. Navraag bij het Openbaar Ministerie leert dat Kraijpoel nog steeds het centrale onderwerp is in een witwasonderzoek.

    ‘Die man is gek’
    De eigenaar van het bekendste bordeel van Nederland wordt niet graag publiekelijk herinnerd aan de wilde verhalen die over hem in omloop zijn. Tijdens het interview met Nieuwe Revu blijkt hij er al binnen 5 minuten genoeg van te hebben. In bijzijn van zijn advocaat Marnix van der Werff gooit hij een kadastraal bericht richting de verslaggever. ‘Die man is gek!’ schreeuwt hij over een bron die bij naam genoemd wordt in dit artikel. ‘En u schrijft dat op, zonder zelf gedegen onderzoek te doen,’ aldus Kraijpoel tegen de verslaggever. ‘Ik zal je tot je dood aansprakelijk stellen voor dit verhaal,’ aldus een uitzinnige Kraijpoel, die een dag later zijn excuses aanbiedt.

    Executieveilingen
    Kraijpoel lijkt in zwaar weer te zitten. Vorig jaar werd een groot deel van zijn vastgoedportefeuille aangekondigd op executieveilingen, inclusief zijn monumentale hoofdkantoor, Het Schoutenhuis in Baarn. Het pand werd uiteindelijk onderhands verkocht. ‘Het moge duidelijk zijn dat de ontwikkelingen mij geen goed hebben gedaan,’ zegt Kraijpoel. ‘Banken willen toch versneld van je af. Ik heb de afgelopen jaren een Aston Martin DBS, mijn BMW 7-serie en diverse panden verkocht ter behoud van liquiditeit. Hoewel ik tot op heden nog nergens van beschuldigd ben, heeft de opstelling van het OM er inmiddels wel toe geleid dat ik gestraft ben zonder uitspraak.’
    Het langdurige witwasonderzoek dat bijna drie jaar gaande is, lijkt niet helemaal onderaan de stapel te liggen, want eind vorig jaar kwam Kraijpoel’s naam naar buiten in verband met het voormalige gebouw van de Antwerpse rederij CMB aan de Antwerpse winkelstraat de Meir. De Amsterdamse onderwereld zou daar miljoenen euro’s hebben geïnvesteerd in het appartementencomplex waar een penthouse tussen de 450 duizend euro en 1,3 miljoen euro moest kosten. De Vlaamse krant Het Nieuwsblad stuitte in documenten van het Belgische witwasonderzoek op de naam Chris Kraijpoel. Hij zucht. ‘Ik heb daar nooit enig eigendom gehad en ben zelfs nooit verhoord in dat witwasonderzoek.’
    Zijn oud-zakenpartner Van den Broek snapt er niks van. ‘Hij laat graag zijn criminele contacten doorschemeren, wordt overal mee in verband gebracht, maar loopt nog steeds vrij rond. Hoe kan dat nou?’

    Bordeelrumoer Yab Yum
    De in 1976 door Theo Heuft opgerichte herenclub kent een bewogen geschiedenis. Hij verkoopt de Yab in 1999 aan Hennie Vittali, de zwager van de prominente Hells Angel Harrie S. Dit nadat de inmiddels geliquideerde topcriminelen Sam Klepper en John Mieremet de oprichter van de Yab Yum, Theo Heuft, hebben afgeperst. In 2008 moeten de deuren van het bordeel gesloten worden, omdat de Amsterdamse burgemeester Job Cohen geen nieuwe prostitutievergunning wil verlenen op basis van de wet Bibob. De reden: Harrie S. wordt blijkens een uitspraak van de Raad van State verdacht van ernstige strafbare feiten en zou zeggenschap hebben verkregen in de hoofdstedelijke gentlemen’s club.

    Aankoop via Groninger-akte
    Boekhouder Kraijpoel kocht op 15 december 2011 voor 1 miljoen euro de merknaam en de inboedel, en tekent een koopakte van 3 miljoen euro voor het grachtenpand aan het Singel in Amsterdam. Hij doet dit op naam van Pentagon Amsterdam BV, dat beheerd wordt door Stichting Administratiekantoor Pentagon waar Kraijpoel weer de zeggenschap over heeft.
    Kraijpoel vindt tien meter verderop, op nummer 287, een brievenbus die hij kan gebruiken voor de post van de achterliggende juridische constructie. Een stille getuige is nog een vergeeld briefje met de naam Pentagon Amsterdam op de betreffende deur. Alles lijkt boekhoudkundig geregeld te zijn voor een grand opening, maar Kraijpoel krijgt te maken met de nalatenschap van Vittali. ‘Vanuit de oude eigenaar liggen er nog grote beslagen op het pand. De oude eigenaar heeft tot 1 juli 2018 de tijd om dit op te lossen,’ zegt Kraijpoel, die volgens eigen zeggen daarom een zogeheten Groninger-akte liet draaien door notaris Bart V. van notariskantoor BakkerVoorwindeMens. Daardoor hoeft hij alleen de overdrachtsbetaling te voldoen, en kan het overmaken van de koopsom van 3 miljoen euro wachten tot uiterlijk 1 juli 2018. Kraijpoel geeft desgevraagd aan dat hij toch al ‘voor 1,5 tot 2 miljoen euro’ in de Yab Yum zit.

    Dit artikel verscheen in week 10 in Nieuwe Revu

    dennis@ftm.

  2. SCHULDEISERS, FISCUS, CURATOR EN JUSITIE OPGELET!
    Tientallen schuldeisers staan in de rij en zijn opzoek naar hem, maar wij hebben hem weer gevonden.
    Chris Kraijpoel heeft een nieuwe witwasmachine gevonden. Hij heeft de overige parken van Selekt Resorts BV gekocht van Edwin van Nieuwenhuizen. Inmiddels is Selekt Resort BV te Sinderen failliet, maar snel voor het faillissement probeert Kraijpoel via een nieuwe katvanger, uit onderzoek blijkt deze katvanger zijn eigen vrouw Chantal Jozephina Hendrika Vermeulen te zijn, directeur van het nieuw opgerichte bedrijf Comfort Parcs Nederland BV, de overige parken aan te kopen. (zie ingeschreven koopakte in kadaster)

    Tot grote verbazing werkt de Abn Amro Bank vrolijk mee aan deze transactie. Terwijl in de brabantse vastgoedwereld de geruchten gaan dat Kraijpoel 1.5 miljoen euro zwart betaald aan de eigenaar Edwin van Nieuwenhuizen. Curator B. van Leeuwen vist achter het net.

    Zou het witwas onderzoek dan toch niet voor niets zijn geweest naar de persoon Chris Kraijpoel. Curator B. van Leeuwen zou u uw dossier niet moeten heropenen en contact opnemen met de bank? Een openbare verkoop zal zeker meer opleveren!

    • Zwijgen is voorbij…………………………

      Kris Kraijpoel is niet alleen een oplichter en wanbetaler, maar ook een informant! Mijn vader krijgt nog 850.000 van Kris, maar inplaats van hem te betalen belde hij de CIE lijn en vertelde in geur en kleur waar mijn vader mee bezig was. Dit kost mijn vader 5,5 jaar. Ja, Kris je maakte 1 fout alleen jij wist van het frame. Blijkt nu uit het dossier! Klootzak! Subsidiefraudeur! Wordt tijd dat Justitie jouw straft.

  3. AT 5 nieuwsbericht

    dinsdag 30 augustus 2011 14:25
    Eigenaar Yab Yum opgepakt voor witwassen

    De nieuwe eigenaar van Yab Yum, vastgoedhandelaar Chris Kraypoel, is
    opgepakt op verdenking van het witwassen van geld.

    Dat vertelt het landelijk parket van het Openbaar Ministerie aan AT5.
    Kraypoel werd vorige week maandag aangehouden en is afgelopen donderdag
    voorgeleid. Hij wordt minstens twee weken in bewaring gesteld.

    Twee maanden geleden sprak de eigenaar van de luxe seksclub de wens uit om
    een Yab Yum te openen in alle wereldsteden.

    Vorige jaar juni werd hij opgepakt op verdenking van betrokkenheid bij de
    liquidatie van vastgoedhandelaar Peter Petersen, alias Dikke Peter. Maar
    volgens zijn advocaat is hij in die zaak geen verdachte meer.

  4. AT 5 nieuwsbericht

    dinsdag 30 augustus 2011 14:25
    Eigenaar Yab Yum opgepakt voor witwassen

    De nieuwe eigenaar van Yab Yum, vastgoedhandelaar Chris Kraypoel, is
    opgepakt op verdenking van het witwassen van geld.

    Dat vertelt het landelijk parket van het Openbaar Ministerie aan AT5.
    Kraypoel werd vorige week maandag aangehouden en is afgelopen donderdag
    voorgeleid. Hij wordt minstens twee weken in bewaring gesteld.

    Twee maanden geleden sprak de eigenaar van de luxe seksclub de wens uit om
    een Yab Yum te openen in alle wereldsteden.

    Vorige jaar juni werd hij opgepakt op verdenking van betrokkenheid bij de
    liquidatie van vastgoedhandelaar Peter Petersen, alias Dikke Peter. Maar
    volgens zijn advocaat is hij in die zaak geen verdachte meer.

  5. Het lijkt me stug dat die aandelen nog van Kortlever zijn die leeft in onmin met Kraaijpoel en Smits, dat is algemeen bekend.
    En hij koopt nog vol op panden in de stad, verbaas me hier wel over, waarom heeft hij geen last van de kredietcrisis?
    Hij heeft die panden van de Nieuwe Zuider Bouwmaatschappij gekocht, er staat nu een hypotheek op van Kortlever beheer van 11 miljoen, dus hij financiert zijn aankopen vanuit zijn eigen beheer b.v.

  6. Zoals hierboven door ons beschreven is er ook met het monumentale Keizersgracht 766 een beetje gehandeld. Voorheen het hoofdkantoor van Peter Petersen, daarna naar Yam Yum opkoper Chris Kraypoel, daarna naar een zakenpartner van dikke Charles Geerts, de heer Hans Kortlevers die het weer onderbracht bij stroman Dennis Smits…

    Op 8 augustus 2012 wordt dan opeens de executoriale veiling van het pand aangekondigd.:

    Veilingdatum 24/09/2012
    nr.19:KEIZERSGRACHT 766 & UTRECHTSESTRAAT 61 (IN ÉÉN AMSTERDAM

    EXECUTORIALE VERKOPING EX ART. 3:268 BW

    TWEE MONUMENTALE PANDEN (in één koop) best. uit: KEIZERSGRACHT 766: KANTOORruimte bel-etage; en WONINGEN op resp. I en II/III/IV; UTRECHTSESTRAAT 61: WINKEL met KELDERRUIMTEN en WONINGEN op resp. I en II. De woningen zijn te bereiken via het gemeenschappelijk trappenhuis aan de Keizersgracht.
    Totale huuropbr. medio 2008 vermoedelijk € 161.820,– per jaar. De huursituatie kan gewijzigd zijn.

    De 2 panden zijn monumenten in de zin van de Rijksmonumentenwet 1988 en zijn odnerling met elkaar verbonden.

    dir.makelaar: M.G. STRAATHOF (Straathof Makelaars, tel. 0206757466) **NIEUW
    Notaris
    Mr M.J.J. VAN TIENEN (notariskantoor Albers en Van Tienen)

    PLOK: € 14.000,– EXCL BTW tlv koper

    =======

    Volgens het kadaster is het nu nog steeds van:
    Stichting ter behoud van Nederlandsche Monumenten
    Keizersgracht 766
    1017EB Amsterdam
    KvK-nummer: 32131546

    Deze stichting is eigendom van:

    Naam: Watermolen Projecten B.V.
    Vestigingsadres: Keizersgracht 766
    Vestigingsplaats: 1017EB Amsterdam
    KvK-nummer: 34343705
    Vestigingsnummer: 000017275148

    Dit is dus het al eerder genoemde vehikel van stroman Smits. Maar wie nu de aandelen van Watermolen bezit? Is dat nog Kortlevers?

  7. Het verhaal zou natuurlijk niet compleet zijn als ook niet Libra International nog zou opduiken in dit verhaal… en nu als de nieuwe eigenaar van Keizersgracht 766..
    Kadaster zegt:

    AMSTERDAM I I 9293
    Keizersgracht 766 H
    1017 EB AMSTERDAM
    Gerechtigde:
    LIBRA INTERNATIONAL B.V.

  8. Weet wat je zegt,maar zegt nooit wat je weet! Dat is een uitspraak die goed past bij onze zogenaamde stroman Smits. Doet zich graag als stroman voor maar bouwt ondertussen stilletjes met tig verschillende BV’s en stichtingen een behoorlijke vastgoedportefeuille op in Amsterdam en Utrecht. Tot grote verbazing gaat bijna alles uit eigen middelen en dat in deze moeilijke tijden. Misschien iets voor het OM om te onderzoeken of weet Smits precies wat die doet ?

  9. Het hierboven beschreven pand Molenstraat 23 in Roosendaal heeft al heel wat schimmige eigenaren gekend, en na Petersen, stroman Smits en Bertus Cirkel is het pand weer verkocht, dit keer aan de directeur van de BV’s van Charles Geerts, de heer Artur Zurek.
    Zijn ABZ Holding BV is nu eigenaar van het pand. Zurek voert voor Geerts de directie over zijn vastgoed- en hotelbedrijven. Feitelijk eigenaar van het pand lijkt misschien Geerts zelf wel te zijn..

  10. Bovengenoemde Hans Kortlevers heeft recent een BV (met veel vastgoed) van de erven van Willem Endstra overgenomen. De Nieuwe Zuider Bouwmaatschappij B.V. is nu eigendom van Kortlevers Beheer BV en zetelt aan de Nieuwe Kalfjeslaan 9.
    Zo blijft Kortlevers actief in het Amsterdamse vastgoed.

    In bovenstaande blog wordt ook Nieuwe Kalfjeslaan 13 genoemd, die is door loopjongen Dennis Smits weer doorverkocht aan ‘dikke’ Charles Geerts’ JFO Vastgoed BV.

  11. De Raad van State deed op 9 mei 2012 uitspraak in een zaak die Bertus Cirkel en zakenpartner Citon Chang tegen de gemeente Amsterdam hadden aangespannen nadat de gemeente op basis van de Wet BIBOB had besloten hen geen vergunningen meer te verlenen voor hun sekstheaters en bordelen:

    RAAD VAN STATE:

    zaaknummer 201102845/1/A3
    datum van uitspraak woensdag 9 mei 2012
    tegen de burgemeester van Amsterdam en het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum
    proceduresoort Hoger beroep
    rechtsgebied Algemene kamer – Hoger Beroep
    Bestuursdwang / Dwangsom Print deze uitspraak

    201102845/1/A3.
    Datum uitspraak: 9 mei 2012

    AFDELING
    BESTUURSRECHTSPRAAK

    Uitspraak op het hoger beroep van:

    de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid La Vie en Proost B.V. en La Vie en Rose B.V., gevestigd te Amsterdam,
    appellanten,

    tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2011 in zaken nrs. 10/858 en 10/862 in de gedingen tussen:

    La Vie en Proost en La Vie en Rose

    en

    de burgemeester van Amsterdam en het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum.

    1. Procesverloop

    Bij besluit van 30 november 2006 heeft de burgemeester afwijzend beslist op een aanvraag van La Vie en Proost om afgifte van een exploitatievergunning ten behoeve van een horecabedrijf en prostitutiebedrijf aan de Warmoesstraat 113 en heeft het dagelijks bestuur afwijzend beslist op een aanvraag van La Vie en Proost om afgifte van een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet ten behoeve van die bedrijven. Bij dit besluit hebben de burgemeester en het dagelijks bestuur tevens La Vie en Proost onder aanzegging van bestuursdwang gelast de exploitatie van deze bedrijven binnen vier weken na verzending van het besluit te beëindigen.

    Bij besluit van 30 november 2006 heeft de burgemeester afwijzend beslist op aanvragen van La Vie en Rose om afgifte van exploitatievergunningen ten behoeve van prostitutiebedrijven aan de Molensteeg 2a, de Oudezijds Achterburgwal 38, de Oudezijds Achterburgwal 41h, de Oudezijds Achterburgwal 44b, de Oudezijds Achterburgwal 46, de Oudezijds Voorburgwal 139a, de Sint Annendwarsstraat 12 en de Sint Annendwarsstraat 22. Bij dit besluit heeft de burgemeester tevens La Vie en Rose onder aanzegging van bestuursdwang gelast de exploitatie van deze prostitutiebedrijven binnen vier weken na verzending van het besluit te beëindigen.

    Bij besluit van 2 februari 2010 heeft het dagelijks bestuur het door La Vie en Proost gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

    Bij ongedateerd besluit, verzonden op 3 februari 2010, heeft de burgemeester het door La Vie en Proost en La Vie en Rose gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

    Bij uitspraak van 21 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door La Vie en Proost en La Vie en Rose tegen het besluit van 2 februari 2010 en tegen het op 3 februari 2010 verzonden besluit ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

    Tegen deze uitspraak hebben La Vie en Proost en La Vie en Rose bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

    De burgemeester en het dagelijks bestuur hebben een verweerschrift ingediend.

    De burgemeester en het dagelijks bestuur hebben adviezen van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau) aan de Afdeling toegezonden. Daarbij hebben zij medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling ervan kennis zal mogen nemen. Op 18 april 2011 heeft de Afdeling beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is en La Vie en Proost en La Vie en Rose gevraagd om toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Deze toestemming is verleend.

    De burgemeester en het dagelijks bestuur en La Vie en Proost en La Vie en Rose hebben nadere stukken ingediend.

    De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2011, waar La Vie en Proost en La Vie en Rose, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en R.H.N. Broeshart, bijgestaan door mr. R. Ridder, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M.F.W. Boermans, mr. A.H.M. Buijs en S. Haavekost, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

    2. Overwegingen

    2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet bibob) kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

    a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

    b. strafbare feiten te plegen.

    Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

    a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onder a,

    b. in geval van vermoeden de ernst daarvan,

    c. de aard van de relatie en

    d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

    Ingevolge het derde lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

    a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

    b. in geval van vermoeden de ernst daarvan,

    c. de aard van de relatie en

    d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

    Ingevolge het vierde lid staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

    a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

    b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan,

    c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

    Ingevolge het vijfde lid vindt de weigering dan wel de intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

    a. de mate van het gevaar en

    b. voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

    Ingevolge artikel 7, eerste lid, kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

    Ingevolge het derde lid kan het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, het Bureau om een advies vragen.

    Ingevolge artikel 8 is er een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

    Ingevolge artikel 9, eerste lid, voor zover thans van belang, heeft het Bureau tot taak aan bestuursorganen, voor zover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het Bureau daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid.

    Ingevolge artikel 29, voor zover thans van belang, kan het bestuursorgaan dat een advies ontvangt, dat advies gedurende twee jaren gebruiken in verband met een andere beslissing.

    Ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

    Ingevolge artikel 27, derde lid, kan een vergunning worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob.

    Ingevolge het vierde lid kan het Bureau, bedoeld in artikel 8 van de Wet bibob, voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

    Ingevolge artikel 4 van het Besluit bibob worden als inrichtingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet bibob aangewezen:

    a. inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt,

    b. voor het publiek toegankelijke, besloten ruimten waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet seksuele handelingen worden verricht, seksuele diensten worden aangeboden of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden,

    […].

    Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.

    Ingevolge artikel 3.27, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een prostitutiebedrijf te exploiteren.

    2.2. Bij de besluiten op bezwaar hebben de burgemeester en het dagelijks bestuur de besluiten van 30 november 2006 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd. Aan de besluiten op bezwaar zijn adviezen van het Bureau van 16 maart 2006 en 30 juli 2008 en een nadere toelichting van het Bureau van 25 september 2008 ten grondslag gelegd. Op grond van de adviezen hebben de burgemeester en het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit drugshandel en witwassen verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om het strafbare feit witwassen te plegen.

    Aan dat standpunt is ten grondslag gelegd dat [belanghebbende A] in 2001 is veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf voor de binnenlandse handel in verdovende middelen in de jaren 1994 tot 1996 en dat [belanghebbende B] en [belanghebbende A] in 1999 in hoger beroep weliswaar zijn vrijgesproken ter zake van deelname aan een criminele organisatie die grootschalig in softdrugs handelde, maar dat daarbij is overwogen dat er sterke aanwijzingen zijn dat [belanghebbende C] en zijn medeverdachten, waaronder [belanghebbende B] en [belanghebbende A], met anderen deel uitmaakten van een samenwerkingsverband dat zich bezighield met activiteiten die het daglicht niet konden velen. Verder is daaraan ten grondslag gelegd dat [belanghebbende B] in 1986 is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf wegens het voorhanden hebben van een vuurwapen, dat hij in 1989 is veroordeeld tot zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren, alsmede 1.500 gulden boete wegens het aanwezig hebben van harddrugs en dat in 1994 een zaak betreffende deelname van [belanghebbende B] aan een criminele organisatie is geseponeerd wegens gering aandeel in het feit, bij welk sepot een schriftelijke waarschuwing is gegeven. Verder is in aanmerking genomen dat [belanghebbende B] en [belanghebbende A] zich volgens informatie van Criminele Inlichtingeneenheden van de politie (hierna: CIE-informatie) niet alleen in het midden van de jaren negentig, maar ook daarna hebben beziggehouden met drugshandel. Voorts is aan het standpunt ten grondslag gelegd dat de meervoudige belastingkamer van het gerechtshof ‘s-Gravenhage in een arrest van 22 januari 2008 heeft overwogen dat aannemelijk is dat [belanghebbende B] deel uitmaakte van een samenwerkingsverband dat in verdovende middelen handelde en panden ten behoeve van prostitutie exploiteerde dan wel daarbij betrokken was en dat het gerechtshof in dat arrest tot de conclusie is gekomen dat de voor een aantal panden in 1997 betaalde koopsommen niet de werkelijke tegenprestatie kunnen hebben gevormd, maar dat deze tegenprestatie belangrijk hoger moet zijn geweest, zodat [belanghebbende B] voor de aankoop op andere wijze moet hebben beschikt over inkomens- en vermogensbestanddelen die aan de verkoper ten goede zijn gekomen. Tot slot hebben de burgemeester en het dagelijks bestuur daaraan ten grondslag gelegd dat volgens informatie van de Financial Intelligence Unit – Nederland in 2007 drie verdachte transacties hebben plaatsgevonden, waarbij [belanghebbende B] € 2.095.747,00 heeft ontvangen, en dat het Openbaar Ministerie [belanghebbende A] € 471.023,86 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontnomen.

    Voorts hebben de burgemeester en het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat La Vie en Proost en La Vie en Rose in relatie staan tot [belanghebbende B] en [belanghebbende A] en daarmee tot voormelde strafbare feiten.

    2.3. La Vie en Proost en La Vie en Rose betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het advies van 16 maart 2006 niet aan de besluiten op bezwaar ten grondslag mocht worden gelegd, aangezien de in artikel 29 van de Wet bibob vermelde tweejaarstermijn ten tijde van die besluiten reeds was verstreken.

    2.3.1. Het advies van het Bureau van 16 maart 2006 is uitgebracht ten behoeve van een besluit op een aanvraag van La Vie en Proost. Hangende bezwaar hebben de burgemeester en het dagelijks bestuur het Bureau verzocht om, gelet op de duur van de periode die was verstreken na het advies van 16 maart 2006, een nieuw advies uit te brengen inzake La Vie en Rose. Dit verzoek heeft geleid tot het advies van 30 juli 2008, bij de totstandkoming waarvan mede gegevens zijn betrokken die dateren van na het advies van 16 maart 2006. In beide adviezen heeft een belangrijk deel van de gegevens betrekking op [belanghebbende B] en [belanghebbende A], aangezien beiden ten tijde van belang bestuurders waren van Les Deux Vies Holding B.V., welke vennootschap destijds de enige aandeelhouder was van zowel La Vie en Proost als La Vie en Rose. Onder deze omstandigheden kan het advies van 30 juli 2008 mede worden aangemerkt als actualisering van het advies van 16 maart 2006. Laatstgenoemd advies dient dan ook te worden bezien in het licht van het advies van 30 juli 2008. Zo bezien waren de gegevens uit het advies van 16 maart 2006 ten tijde van de besluiten op bezwaar, toen nog geen twee jaren waren verstreken sinds het uitbrengen van het advies van 30 juli 2008, voldoende actueel om aan de besluiten ten grondslag te mogen worden gelegd. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de burgemeester en het dagelijks bestuur artikel 29 van de Wet bibob niet hebben geschonden.

    Het betoog faalt.

    2.4. La Vie en Proost en La Vie en Rose betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat witwassen geen strafbaar feit is in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob. Slechts het strafbare feit waarmee de bij het witwassen gebruikte middelen zijn verkregen, is een feit in de zin van voormelde bepaling, aldus La Vie en Proost en La Vie en Rose. Daarbij verwijzen zij naar een uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 12 november 2009 (LJN: BK2970).

    2.4.1. In de uitspraak van 20 juli 2011 in zaak nr. 200909931/1/H3, welke uitspraak is gedaan op het hoger beroep tegen voormelde uitspraak van de rechtbank Alkmaar, heeft de Afdeling geoordeeld dat witwassen een strafbaar feit is als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob. Daartoe is het volgende overwogen.

    Degene die gebruik maakt van op geld waardeerbare voordelen die uit gepleegde strafbare feiten zijn verkregen, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze voordelen van criminele herkomst zijn, pleegt, gezien de artikelen 420bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht, het strafbare feit witwassen. Dit brengt echter niet met zich dat de achterliggende delicten die in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet bibob als “gepleegde strafbare feiten” zijn aangeduid, andere strafbare feiten moeten zijn dan witwassen. Door middel van witwassen kunnen op geld waardeerbare voordelen worden verkregen, bijvoorbeeld door met geld van criminele herkomst panden aan te kopen. Een aldus aangekocht pand kan met gebruik van een vergunning worden benut door het te verhuren ten behoeve van vergunningplichtige activiteiten, bijvoorbeeld, zoals in dit geval, het exploiteren van een prostitutiebedrijf, waarmee verdere op geld waardeerbare voordelen kunnen worden verkregen. Derhalve is witwassen naar de tekst van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob een strafbaar feit in de zin van die bepaling. Uit het niet noemen in de toelichting bij artikel 3 van de Wet bibob (Kamerstukken II 1999/00, 26 883, nr. 3, blz. 61) van witwassen als voorbeeld van een strafbaar feit, als bedoeld in onderdeel a van het eerste lid van dat artikel, kan niet worden afgeleid dat de wetgever dit delict niet heeft beschouwd als een strafbaar feit in de zin van die bepaling. De toelichting heeft niet de strekking het bereik van de bepaling in zoverre met een limitatieve opsomming van delicten dwingend af te bakenen. Bovendien is witwassen bij wet van 6 december 2001 (Stb. 2001, 606) en derhalve pas na het opstellen van de memorie van toelichting en de parlementaire behandeling van de ontwerp-Wet bibob, als zelfstandig strafbaar feit opgenomen in het Wetboek van Strafrecht. Zoals in de memorie van toelichting bij de wet van 6 december 2001 is opgemerkt (Kamerstukken II 1999/00, 27 159, nr. 3, blz. 2), werden witwaspraktijken voordien vervolgd als vorm van heling, welk delict in de toelichting bij artikel 3 van de Wet bibob wordt genoemd als voorbeeld van een strafbaar feit, als bedoeld in onderdeel a van het eerste lid van dat artikel.

    De Afdeling ziet in het door La Vie en Proost en La Vie en Rose aangevoerde geen aanleiding voor een ander oordeel dan in voormelde uitspraak. Gelet daarop faalt het betoog.

    2.5. La Vie en Proost en La Vie en Rose betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ernstig gevaar bestaat in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob. Zij voeren aan dat ten onrechte waarde is gehecht aan de overwegingen van een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 maart 1999, waarbij [belanghebbende B] en [belanghebbende A] zijn vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie, aan een schriftelijke waarschuwing van het Openbaar Ministerie van 7 oktober 1994 en aan CIE-informatie. Volgens hen mogen feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob volgens de memorie van toelichting bij die wet slechts veroordelingen, transacties en opsporings- en vervolgingsacties zijn. Verder voeren zij aan dat de CIE-informatie onvoldoende gespecificeerd is, terwijl over de betrouwbaarheid van die informatie geen oordeel kan worden gegeven. Voorts staan La Vie en Proost en La Vie en Rose volgens hen niet in relatie tot de strafbare feiten. Ten slotte voeren zij aan dat de afwijzing van de aanvragen niet voldoet aan het in artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob neergelegde vereiste dat deze evenredig moet zijn met de mate van het gevaar.

    Gebruikte gegevens

    2.5.1. De tekst van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob noch de tekst van andere bepalingen van de Wet bibob geven aanleiding voor het oordeel dat feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, slechts kunnen bestaan uit veroordelingen, transacties en opsporings- en vervolgingsacties. In het gedeelte van de memorie van toelichting bij de Wet bibob waarnaar La Vie en Proost en La Vie en Rose verwijzen (Kamerstukken II 1999/00, 26 883, nr. 3, blz. 62), is over artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob onder meer vermeld:

    “Door de zinsnede «feiten en omstandigheden» wordt aangegeven dat er concrete indicaties dienen te zijn gevonden voor betrokkenheid bij strafbare feiten als bedoeld in onderdeel a van het eerste lid. Deze feiten en omstandigheden kunnen blijken uit justitiële en politiële gegevens, zoals al dan niet onherroepelijke veroordelingen van de in het onderhavige artikel bedoelde natuurlijke personen en rechtspersonen, door hen aangegane transacties en de hen betreffende opsporings- en vervolgingsacties.”

    Het gebruik van het woord “zoals” wijst er reeds op dat niet is beoogd een limitatieve opsomming te geven van gegevens waaruit feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob kunnen blijken. Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat de overwegingen van een arrest van het gerechtshof Amsterdam, een schriftelijke waarschuwing van het Openbaar Ministerie en CIE-informatie in beginsel bij de besluitvorming mochten worden betrokken. Het voorgaande laat evenwel onverlet dat niet aan alle gegevens evenveel gewicht kan worden toegekend.

    2.5.2. In het arrest van 29 maart 1999 heeft het gerechtshof Amsterdam overwogen dat bij gebrek aan wettig bewijs niet bewezen kon worden verklaard dat [belanghebbende B] en [belanghebbende A] deel uitmaakten van een criminele organisatie die – kort gezegd – grootschalig in drugs handelde. In dit arrest zijn [belanghebbende B] en [belanghebbende A] daarom vrijgesproken van dit feit, waarmee de strafrechtelijke vervolging voor dit feit is geëindigd. Niettemin heeft het gerechtshof, onder verwijzing naar de voor het voormelde feit gebezigde bewijsmiddelen, overwogen dat er sterke aanwijzingen zijn dat onder meer [belanghebbende B] en [belanghebbende A] deel uitmaakten van een samenwerkingsverband dat zich bezighield met zaken die het daglicht niet konden velen. De vrijspraak voor voormeld feit ziet niet op deze overweging. Deze vrijspraak maakt daarom niet dat de burgemeester en het dagelijks bestuur zich niet op grond van deze overweging op het standpunt mochten stellen dat aannemelijk is dat [belanghebbende B] en [belanghebbende A] behoorden tot een samenwerkingsverband dat strafbare feiten pleegde. Nu evenwel uit het arrest niet duidelijk valt op te maken wat de aard is van de strafbare feiten die het samenwerkingsverband pleegde, welke omvang die strafbare feiten hadden en welke op geld waardeerbare voordelen daaruit zijn voortgevloeid, komt aan deze overweging slechts een beperkt gewicht toe.

    Handel in verdovende middelen

    2.5.3. Op 7 oktober 1994 heeft het Openbaar Ministerie [belanghebbende B] een schriftelijke waarschuwing gegeven, nadat een tegen hem ingestelde vervolging ter zake van deelname aan een criminele organisatie die het plegen van strafbare handel in verdovende middelen tot doel had, was geseponeerd vanwege een gering aandeel van hem in dat feit. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat in het Wetboek van Strafvordering niet een uitdrukkelijke bevoegdheid voor het Openbaar Ministerie tot het geven van een schriftelijke waarschuwing in het kader van een sepot is opgenomen, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester en het dagelijks bestuur deze waarschuwing niet mede ten grondslag mochten leggen aan hun standpunt dat aannemelijk is dat [belanghebbende B] strafbare feiten betreffende de handel in verdovende middelen heeft gepleegd.

    2.5.4. La Vie en Proost en La Vie en Rose voeren met juistheid aan dat niet alle CIE-informatie die is opgenomen in het advies van 16 maart 2006, ook is opgenomen in het advies van 30 juli 2008. Dit is echter onvoldoende grond voor het oordeel dat het Bureau in het advies van 30 juli 2008 is teruggekomen op het advies van 16 maart 2006 voor zover het de niet-herhaalde CIE-informatie betreft. In het advies van 30 juli 2008 zijn geen gegevens opgenomen die in strijd zijn met of afwijken van de CIE-informatie uit het advies van 16 maart 2006 en zouden moeten leiden tot de conclusie dat de juistheid van die CIE-informatie in twijfel wordt getrokken.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 februari 2008 in zaak nr. 200706926/1), dient als uitgangspunt te gelden dat informatie uit het register zware criminaliteit slechts in combinatie met andere feiten en omstandigheden die in dezelfde richting wijzen een vermoeden op kan leveren voor ernstig gevaar, aangezien de betrouwbaarheid en relevantie van de informatie uit het register niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Bovendien kan het gewicht dat aan een registratie kan worden toegekend per geval verschillen, hetgeen onder meer afhangt van het aantal registraties, de waardering van de betrouwbaarheid van de bronnen, de mate waarin de registratie is gespecificeerd, de datum van het geregistreerde feit en hetgeen daaromtrent overigens bekend is.

    Zoals in het besluit op bezwaar is weergegeven, is in het advies van 16 maart 2006 vermeld dat er CIE-informatie is die inhoudt dat [belanghebbende B] en [belanghebbende A] zich bezighouden met drugshandel. Met betrekking tot [belanghebbende B] wordt gesproken van meldingen die zien op maart 1996 en de periode van 1999 tot augustus 2005. Met betrekking tot [belanghebbende A] wordt gesproken van meldingen die zien op de periode van november 2005 tot januari 2006. Verder is in het besluit op bezwaar weergegeven dat in het advies van 30 juli 2008 is vermeld dat de Criminele Inlichtingeneenheid van de politie Amsterdam-Amstelland vanaf 1999 tot mei 2006 via meer dan één informant heeft vernomen dat [belanghebbende B] in verband kan worden gebracht met drugshandel. Voorts is in dat besluit weergegeven dat in hetzelfde advies is vermeld dat [belanghebbende B] volgens CIE-informatie in verband wordt gebracht met een bomaanslag in Utrecht, die verband zou houden met ruzie over drugshandel. Aangezien over de betrouwbaarheid van de CIE-informatie geen oordeel kan worden gegeven en de vermeldingen betrekkelijk algemeen zijn geformuleerd, kan deze informatie niet zelfstandig dragend zijn voor de conclusie dat [belanghebbende B] en [belanghebbende A] betrokken waren bij de handel in verdovende middelen. Dit laat evenwel onverlet dat aan deze informatie enig gewicht niet kan worden ontzegd, nu deze niet in een andere richting wijst dan de overige in de besluitvorming betrokken feiten en omstandigheden. Voorts bestaat de informatie uit verscheidene vermeldingen die berichten van verscheidene informanten betreffen. Daarnaast volgt uit een vergelijking van de twee adviezen van het Bureau dat over [belanghebbende B] na het advies van 16 maart 2006 nieuwe meldingen zijn ingekomen die zien op vergelijkbare feiten en omstandigheden als die reeds volgen uit CIE-informatie die is opgenomen in het advies van 16 maart 2006. Dat La Vie en Proost en La Vie en Rose een deel van de CIE-informatie als puur speculatief beschouwen, geeft geen grond voor een ander oordeel over die informatie.

    2.5.5. Gelet op hetgeen onder 2.5.3 en 2.5.4 is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de burgemeester en het dagelijks bestuur zich op grond van veroordelingen van [belanghebbende B] en [belanghebbende A], een schriftelijke waarschuwing van het Openbaar Ministerie, CIE-informatie en de overwegingen van het arrest van de meervoudige belastingkamer van het gerechtshof ‘s-Gravenhage op het standpunt mochten stellen dat aannemelijk is dat [belanghebbende B] en [belanghebbende A] zowel in de jaren negentig als daarna strafbare feiten hebben gepleegd die betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. De in de besluiten op bezwaar genoemde anonieme brieven kunnen buiten beschouwing worden gelaten, nu deze geen dragend onderdeel van de onderbouwing van het standpunt uitmaken.

    Witwassen

    2.5.6. In het arrest van 29 maart 2011 (LJN: BO2628) is de Hoge Raad ingegaan op de bewijslastverdeling bij witwassen. Zoals de Hoge Raad daarin heeft overwogen, rechtvaardigden in de toen voorliggende zaak de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden het vermoeden dat de geldbedragen die de verdachte voorhanden had, uit enig misdrijf afkomstig waren en mocht derhalve van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring gaf voor de herkomst van het geld.

    Uit het eerder genoemde arrest van de meervoudige belastingkamer van het gerechtshof ‘s-Gravenhage van 22 januari 2008, dat in cassatie is bevestigd, volgt dat [belanghebbende B] in 1995 en 1996 zeven panden heeft gekocht voor een bedrag van in totaal ƒ 3.275.000,00 en dat de werkelijke waarde van die panden eind 1997 in ieder geval ƒ 7.500.000,00 beliep. Het gerechtshof is in dat arrest tot de conclusie gekomen dat [belanghebbende B] naast de in de notariële akten van levering vermelde bedragen op andere wijze moet hebben beschikt over inkomsten- en vermogensbestanddelen die aan de verkoper ten goede zijn gekomen. Nu, zoals hiervoor is overwogen, aannemelijk mocht worden geacht dat [belanghebbende B] zich onder meer in de jaren negentig met de handel in drugs heeft beziggehouden, rechtvaardigen feiten en omstandigheden het vermoeden dat voormelde geldbedragen uit de handel in drugs afkomstig waren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de handel in drugs er naar zijn aard op is gericht om op geld waardeerbare voordelen voort te brengen en dat het een feit van algemene bekendheid is dat met de handel in drugs grote winsten kunnen worden behaald. Het is derhalve aan La Vie en Proost en La Vie en Rose om de herkomst van dit geld te verklaren. In aanmerking nemend dat zij niet inzichtelijk hebben gemaakt op welke wijze en om welke redenen de niet in de notariële akten van levering vermelde inkomsten- en vermogensbestanddelen aan de verkoper ten goede zijn gekomen, kunnen zij dan ook niet worden gevolgd in hun stelling dat de burgemeester en het dagelijks bestuur ten onrechte niet hebben gemotiveerd op welke wijze het witwassen bij de aankoop van de panden precies heeft plaatsgevonden. Evenmin kunnen zij worden gevolgd in hun stelling dat het bedrag van ƒ 3.275.000,00 dat in de notariële akten van levering is opgenomen, in elk geval als van legale herkomst moet worden beschouwd. La Vie en Proost en La Vie en Proost hebben geen verklaring gegeven over de herkomst van dit bedrag, zodat ervan uit mocht worden gegaan dat de gelden van criminele herkomst waren en dat [belanghebbende B] derhalve met de aankoop van de panden gelden heeft witgewassen.

    Nu voorts aannemelijk mocht worden geacht dat [belanghebbende B] zich ook na de jaren negentig met de handel in drugs heeft beziggehouden, rechtvaardigen feiten en omstandigheden het vermoeden dat de door de Financial Intelligence Unit – Nederland als verdacht aangemerkte transacties uit juni, juli en augustus 2007 gelden betreffen die oorspronkelijk uit de handel in drugs afkomstig waren. Bij deze transacties heeft [belanghebbende B] gelden ten bedrage van € 2.095.747,00 ontvangen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester en het dagelijks bestuur het vermoeden met de door La Vie en Proost en La Vie en Rose overgelegde stukken onvoldoende plausibel aangevochten hebben mogen achten. Voor zover zij hebben aangevoerd dat het voor een aanzienlijk deel aflossing van leningen betreft, wordt overwogen dat hiermee geen verklaring is gegeven van de herkomst van de uitgeleende gelden. De jaarstukken van de betrokken vennootschappen zijn evenmin een afdoende verklaring van de herkomst van de gelden, nu die, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in essentie slechts niet-geverifieerde, door La Vie en Proost en La Vie en Rose zelf aangeleverde gegevens bevatten. Dat de Belastingdienst over deze transacties geen vragen heeft gesteld, maakt het voorgaande niet anders.

    Anders dan La Vie en Proost en La Vie en Rose aanvoeren, is er geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de omstandigheid dat [belanghebbende B] bij onderhandse akte van 11 maart 2003 voor onbepaalde tijd tegen een rente van 6% een bedrag van € 6.228.264,31 heeft geleend van Stichting Particulier Fonds [belanghebbende B], welke stichting wordt beheerd door een trustkantoor op Curaçao, niet mede aan het standpunt over witwassen ten grondslag mocht worden gelegd. Ook indien in aanmerking wordt genomen dat het zou gaan om een schuldigerkenning in het kader van het minimaliseren van de fiscale lastendruk, blijft onduidelijk op welke wijze [belanghebbende B] de beschikking kon krijgen over een geldbedrag van dergelijke omvang. Met de overgelegde gegevens is het vermoeden dat het gaat om gelden van criminele herkomst niet ontkracht.

    Het voorgaande in samenhang bezien, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester en het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat aannemelijk is dat zowel in de jaren negentig als daarna het strafbare feit witwassen is gepleegd.

    Relatie tussen La Vie en Proost en La Vie en Rose en [belanghebbende B] en [belanghebbende A]

    2.5.7. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester en het dagelijks bestuur zich op het standpunt mochten stellen dat feiten en omstandigheden redelijkerwijs doen vermoeden dat La Vie en Proost en La Vie en Rose in relatie staan tot [belanghebbende B] en [belanghebbende A] en daarmee tot de hiervoor besproken strafbare feiten. Daarbij is terecht veel gewicht toegekend aan het feit dat [belanghebbende B] en [belanghebbende A] ten tijde van belang de enige bestuurders waren van Les Deux Vies Holding B.V., welke vennootschap destijds de enige aandeelhouder was van zowel La Vie en Proost als La Vie en Rose. Door deze relatie hadden [belanghebbende B] en [belanghebbende A] zeggenschap over beide vennootschappen. De verwijzing naar een gedeelte van de memorie van toelichting bij de Wet bibob (Kamerstukken II 1999/00, 26 883, nr. 3, blz. 62), waarin gesproken wordt over een duidelijk zwakker verband indien de betrokkene slechts aandeelhouder is, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, reeds omdat dit gedeelte ziet op de situatie waarbij de betrokkene aandeelhouder is van een rechtspersoon die strafbare feiten heeft gepleegd, welke situatie zich in de voorliggende zaak niet voordoet. Voorts is terecht in aanmerking genomen dat [belanghebbende B] en [belanghebbende A] tevens eigenaar waren van de panden waarin de bedrijven van La Vie en Proost en La Vie en Rose zijn gevestigd, zodat zij ook op die wijze betrokken waren bij beide vennootschappen.

    Voor zover het gaat om de relatie tussen La Vie en Proost en [belanghebbende B] en [belanghebbende A] is terecht van belang geacht dat [belanghebbende B] en [belanghebbende A] ten tijde van belang een pand verhuurden aan [belanghebbende D], de toenmalige bestuurder van La Vie en Proost, ten behoeve van de door haar geëxploiteerde horecaonderneming Lunchroom 52 en dat [belanghebbende B] en [belanghebbende A] ten behoeve van de exploitatie van die onderneming geld hebben geleend aan [belanghebbende D]. Ook deze relatie met de bestuurder van La Vie en Proost duidt op betrokkenheid van [belanghebbende B] en [belanghebbende A] bij deze vennootschap. Tevens is daarbij terecht in aanmerking genomen dat – naar niet in geschil is – de verkoop van La Vie en Proost is uitgevoerd door [belanghebbende B] en [belanghebbende A] en dat [belanghebbende D] daarbij in het geheel niet betrokken is geweest. Dat betrokkenheid van [belanghebbende D] bij de verkoop volgens de statuten niet is vereist en dat [belanghebbende D] tijdens de in het kader van de verkoop gevoerde onderhandelingen ziek was, hetgeen door de burgemeester en het dagelijks bestuur is betwist, laat onverlet dat genoemde omstandigheid duidt op een nauwe relatie tussen La Vie en Proost en [belanghebbende B] en [belanghebbende A].

    Hetgeen La Vie en Proost en La Vie en Rose hebben aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat te veel gewicht is toegekend aan een bemiddelingsovereenkomst tussen [gemachtigde], zijnde de bestuurder van La Vie en Rose, en [belanghebbende B] en [belanghebbende A]. De omstandigheid dat die bemiddelingsovereenkomst om fiscale redenen is gesloten en dat de wijze waarop het beheer van La Vie en Rose feitelijk plaatsvindt niet zou overeenkomen met de bemiddelingsovereenkomst, is onvoldoende om in de bepalingen van die overeenkomst geen bevestiging te zien van de nauwe relatie tussen La Vie en Rose en [belanghebbende B] en [belanghebbende A].

    Conclusie

    2.5.8. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, zijn de handel in verdovende middelen en witwassen er naar hun aard op gericht om op geld waardeerbare voordelen voort te brengen. Hetgeen onder 2.5.1 tot en met 2.5.7 is overwogen, leidt daarom tot het oordeel dat de burgemeester en het dagelijks bestuur zich op grond van de adviezen van het Bureau op het standpunt mochten stellen dat gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Dat de gelden die zijn gebruikt voor de onder 2.5.6 vermelde aankoop van panden, niet nogmaals kunnen worden gebruikt, laat onverlet dat de op geld waardeerbare voordelen die zijn voortgevloeid uit het witwassen dat daarbij geacht mag worden te hebben plaatsgevonden, verder kunnen worden benut. Gezien de ernst van de vermoedens, de aard van de relatie, het aantal gepleegde strafbare feiten en de daarmee verkregen en te verkrijgen voordelen, mochten de burgemeester en het dagelijks bestuur op grond van de adviezen van het Bureau het gevaar ernstig achten. Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester en het dagelijks bestuur bevoegd waren om verlening van de door La Vie en Proost onderscheidenlijk La Vie en Rose aangevraagde vergunningen te weigeren. In de omstandigheid dat de bij de beoordeling meegewogen veroordelingen betrekking hebben op betrekkelijk gedateerde strafbare feiten, is geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering van de vergunningen niet evenredig is met de mate van het gevaar, reeds omdat naast deze feiten ook feiten en omstandigheden over recentere strafbare feiten zijn meegewogen.

    Het betoog faalt.

    2.6. La Vie en Proost en La Vie en Rose betogen ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de afwijzing van de vergunningaanvragen geen “criminal charge” is in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Zij voeren aan dat de afwijzing mede dient tot leedtoevoeging en afschrikking.

    2.6.1. In het arrest van 27 september 2011, Hrdalo tegen Kroatië, nr. 23272/07 (www.echr.coe.int), heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) overwogen dat de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM zich kan uitbreiden tot een bestuursrechtelijke procedure, indien er een zodanige band bestaat tussen die procedure en een parallel daarmee plaats hebbende strafrechtelijke procedure dat de bestuursrechtelijke procedure in feite leidt tot een vaststelling omtrent de schuld van betrokkenen, terwijl die niet onherroepelijk in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan.

    Evenals in Hrdalo naar het oordeel van het EHRM het geval was, vindt in de thans voorliggende zaak echter met de besluiten van de burgemeester en het dagelijks bestuur geen vaststelling van schuld plaats en wordt van die schuld ook niet uitgegaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 8 juli 2009 in zaak nr. 200808942/1/H3 en 20 juli 2011 in zaak nr. 200909931/1/H3), is de toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob niet gericht op het bestraffen van personen, maar op het voorkomen dat het plegen van strafbare feiten door de overheid wordt gefaciliteerd. Bestuursorganen onderzoeken zelf op basis van de op dat moment bekende gegevens, aangedragen door het Bureau, of sprake is van ernstig gevaar in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob. Voor zover bij de vaststelling van ernstig gevaar strafbare feiten in de besluitvorming worden betrokken, is niet vereist dat betrokkenen ter zake van die strafbare feiten zijn veroordeeld, maar is slechts vereist dat voldoende aannemelijk is dat betrokkenen die strafbare feiten hebben gepleegd. Daarbij mogen ook “criminal antecedents” van betrokkenen en hun “existing criminal record” worden betrokken (EHRM, Murat Bingöl tegen Nederland, beslissing van 20 maart 2012, nr. 18450/07; http://www.echr.coe.int). Is op het moment van het nemen van het besluit sprake van een onherroepelijke vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging in de strafrechtelijke procedure ten aanzien van de in het advies genoemde feiten, dan mag van voldoende aannemelijkheid van deze feiten niet worden uitgegaan. In het arrest van 21 maart 2000, Asan Rushiti tegen Oostenrijk, nr. 28389/95 (www.echr.coe.int) heeft het EHRM overwogen dat het uiten van twijfel over iemands onschuld met betrekking tot feiten waarvan deze onherroepelijk is vrijgesproken, in strijd is met de onschuldpresumptie. Die situatie doet zich hier, mede gelet op hetgeen onder 2.5.2 is overwogen, naar het oordeel van de Afdeling echter niet voor.

    Zoals hiervoor is overwogen, mochten de burgemeester en het dagelijks bestuur zich op het standpunt stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede gebruikt zullen worden om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de afwijzing van de aanvragen verder gaat dan noodzakelijk is om te voorkomen dat wel verleende vergunningen daarvoor worden gebruikt. Dat de afwijzing van de vergunningaanvragen voor de betrokkenen ingrijpende gevolgen kan hebben, maakt onder deze omstandigheden niet dat de weigering niettemin strekt tot een “criminal charge” in de zin van artikel 6 van het EVRM.

    Het betoog faalt.

    2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

    2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

    3. Beslissing

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

    Recht doende in naam der Koningin:

    bevestigt de aangevallen uitspraak.

    Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, ambtenaar van staat.

    w.g. Lubberdink w.g. Herweijer
    voorzitter ambtenaar van staat

    Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2012

    97-640.

    ——————————————————————————–

    AMSTERDAM G G 2075 Molensteeg 2 H 1012 BG AMSTERDAM Gerechtigde: LAMBERTUS HENDRIKUS CIRKEL

    AMSTERDAM G G 1793 Oudezijds Achterburgwal 38 H 1012 DN AMSTERDAM Gerechtigde: LAMBERTUS HENDRIKUS CIRKEL

    AMSTERDAM G G 2074 Oudezijds Achterburgwal 41 H 1012 DB AMSTERDAM Gerechtigde: LAMBERTUS HENDRIKUS CIRKEL

    AMSTERDAM G G 1766 Oudezijds Achterburgwal 44 H 1012 DP AMSTERDAM Gerechtigde: LAMBERTUS HENDRIKUS CIRKEL

    AMSTERDAM G G 5243 Oudezijds Achterburgwal 46 1012 DP AMSTERDAM Gerechtigde: LAMBERTUS HENDRIKUS CIRKEL

    AMSTERDAM G G 5318 Oudezijds Voorburgwal 139 1012 ES AMSTERDAM Gerechtigde: LAMBERTUS HENDRIKUS CIRKEL

    AMSTERDAM G G 8410 Sint Annendwarsstraat 12 1012 HC AMSTERDAM Gerechtigde: LAMBERTUS HENDRIKUS CIRKEL

  12. Notaris aangehouden in onderzoek criminele erfenis vastgoedhandelaar

    1 februari 2013 – Landelijk Parket

    In opdracht van het Landelijk Parket heeft de politie dinsdag een notaris in Amsterdam aangehouden. De man wordt verdacht van betrokkenheid bij het witwassen van 1,5 miljoen euro uit de criminele erfenis van de in 2009 geliquideerde vastgoedhandelaar P.
    Petersen.

    Daarnaast wordt hij verdacht van het opmaken van onjuiste nota’s van afrekeningen waarmee hij voor zichzelf geld verduisterde uit de nalatenschap. De notaris heeft vermoedelijk zijn medewerking verleend aan onroerend goed transacties en aan het opmaken van documenten, die bedoeld waren om crimineel vermogen ongezien uit de erfenis van Petersen te halen.

    Twee contacten van Petersen, een 41-jarige man uit Haarlem en een 48-jarige financieel adviseur uit Vleuten, zijn twee weken geleden al aangehouden en zitten sindsdien in voorlopige hechtenis.

    Zij hadden de beschikking over een deel van de erfenis van de vastgoedhandelaar en hebben dat vermoedelijk verduisterd. De Amsterdamse boedelnotaris verleende daaraan vermoedelijk zijn medewerking. Hij maakte vastgoedtransacties vanuit de boedel mogelijk en was behulpzaam bij het opstellen van een gekunstelde overeenkomst tussen partijen.
    Constructie buitenland

    De 1,5 miljoen euro was nog voor de dood van Petersen ondergebracht in een constructie met vennootschappen op het Britse Isle of Man. De bedoeling van de buitenlandconstructie was de herkomst van het bedrag te verhullen. Binnen enkele maanden na de dood van Petersen werd het geld al met valse leenovereenkomsten van de rekeningen gehaald, nog voordat de erfenis was afgewikkeld.

    Het onderzoek naar de verduistering van de 1,5 miljoen euro uit de nalatenschap van Petersen is voortgekomen uit eerder onderzoek naar inbeslaggenomen administratie van een andere vastgoedhandelaar.

    De Amsterdamse boedelnotaris is hangende het onderzoek donderdag in vrijheid gesteld.

  13. De notaris in kwestie betreft mr. Bart V. Op deze site komt hij in meerdere aktes voor, zo ook al een akte uit 2008 tussen vml zakenpartners Tim Emmelot en Peter Petersen: http://spokhq.squat.net/files/20080401Schuldverklaring_Emmelot_Pierremont_100000.pdf“>

    Ook een deal tussen Yab Yum baas Chris Kraypoel en diens stroman Dennis Smits ging via mr. V: http://spokhq.squat.net/files/20100915Donino_MevastVerdi.pdf. Ook de levering van het pand Singel 295 aka Yab Yum ging via Voorwinde, zie de akte

    De administrateur uit Vleuten is Marco Muts, in het verleden al bekend als enig zelfstandig bevoegd bestuurder van een aantal stichtingen van Petersen.

  14. Subsidie Fraude

    Na onderzoek kwamen wij er achter dat er op dit moment niet alleen een groot witwas onderzoek naar C. Kraypoel loopt, maar ook een groot onderzoek naar subsidiefraude van 26 miljoen van de overheid.
    De medeverdachten zijn allemaal gestraft maar Kraypoel is er tussendoor geslipt! Justitie heeft nu de zaak weer heropend en hoopt Kraypoel binnenkort achter de tralies te krijgen.

    Volgens inside informatie heeft Kraypoel samen met zijn broer Jac Kraypoel die 25 miljoen gebruikt voor zijn eigen vastgoed portefeuille op te bouwen (welke inmiddels wordt geveild) en heeft de rest van het geld weggesluisd cq gepikt van de medeverdachten. ” Vergeten” te delen met de medeverdachten? Zal dat je grootste fout zijn Kraypoel ? Wij denken van wel of niet Frans v R ? Wie niet delen kan moet zeker op de blaren zitten achter de tralies!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Captcha Captcha Reload

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>